Mama

Haar Laatste Rustplaats

Voor het eerst sinds elf maanden is ze weer thuis, maar dan op een iets andere manier. Een beetje luguber, dat wel. De zwarte urn staat nu verdekt op de kast in de kamer. Niemand die er iets aan afziet, alleen als je weet wat er in die urn zit dan moet je er wel naar kijken. Een zwarte urn van kunststof, 30 centimeter hoog, dat is alles wat er nog over is. En dat staat nu hier, haar laatste rustplaats.

We kregen de brief van het crematorium anderhalve maand geleden. Het werd tijd om een beslissing te nemen. Wat wilden we nou eigenlijk met die urn als familie? Mijn zusje wist het wel, zij wilde iets tastbaars. Een mooie ketting met een deel van haar as, dat zou ze altijd bij haar kunnen dragen dan. Voor mij lag die beslissing eigenlijk wat anders. Ik wist nog steeds niet goed wat ik er nou mee wilde. Ik heb in het begin gezegd dat ik die as niet thuis hoefde, ik hoefde niets tastbaars, omdat ik haar in mijn gedachten wilde houden. Maar langzaam groeide het besef dat het toch wel fijn zou zijn om íéts te hebben.

Ik heb namelijk niets meer van haar, of ja, weinig dan. Er is geen laatste brief van haar, geen laatste woorden die ik me kan herinneren. Slechts haar gedragen kleren liggen nog hier, nergens op te wachten. In mijn hoofd zijn de gedachten nog springlevend, maar ik mis gewoon het tastbare. Ongeacht hoe fijn het kan zijn om wat te herinneren, een tastbaar “iets” is ook fijn om het missen tegen te gaan.

Een ketting is niets voor mij, ik raak zoiets zeker kwijt of dat ding sneuvelt door mijn onhandigheid. Dan zou ik me nog schuldiger voelen. Dan maar gewoon die urn hier thuis, ook al is het idee zelf een beetje vreemd. De afspraak bij het crematorium was gemaakt en we zouden met zijn drieën de as op gaan halen. Maar op de dag zelf, wilde ik dat eigenlijk niet meer mee. Ik wilde niet meer mee naar het crematorium, niet weer diezelfde weg afleggen. Als het aan mij ligt, dan hoef ik er nooit meer te komen eigenlijk. Die plek doet me gewoon nog te sterk denken aan toen en dat hoeft eigenlijk niet zo nodig. Dus ik bleef maar lekker thuis, vol verwachting over wat ging komen.

Hoe zou het eruit zien? Hoe zou het me laten voelen? Was het juist fijn of treurig om haar hier in deze vorm bij me te hebben? Deed het haar een beetje eer aan? Hoe zwaar was die urn en waar zou ik hem neer gaan zetten? Ik moest hem zeker niet laten vallen, dat zou helemaal erg zijn. Ik maakte van mijn gedachten weer eens ouderwets gladiatorspektakel en door die druktemakerij had ik hoge verwachtingen. Of ja, hoog, wat is hoog in dit geval? Ik was gespannen, want ik wist gewoon niet goed wat me te wachten stond.

De deur ging open en daar waren mijn vader, zusje en moeder weer. Een doos van karton, gevouwen zodat het makkelijk te dragen is en daar zat de urn in. Een nietszeggende zwarte urn van plastic, niet hoger dan 30 centimeter. Geen versieringen, geen foto, slechts haar naam in een lelijk handschrift. Dit was het dan en daar moesten we het maar mee doen. Mijn vader zette het onding op de keukentafel, de keuze was aan mij waar ik hem neer wilde zetten. Ik heb hem daar maar een paar uur laten staan, pure angst om het ding aan te raken. Ik durfde eigenlijk eerst niet eens te kijken, zo vreemd vond ik het.

Daar was ze dan weer, eindelijk weer thuis. Het huis waar ze haar laatste paar jaren door zou brengen, dat stond namelijk al vast. Eerst woonden we in een leuk rijtjeshuis, met alles erop en eraan. Het was het huis in de buurt waar ik ben opgegroeid, waar ik de meeste herinneringen heb gekregen. Mijn moeder is in dat huis vier keer ziek geworden, drie keer had ze het overwonnen. De laatste keer ging wat moeizamer, ook al ging ze de strijd vol aan, het viel haar zwaar. De slijtageslag had haar lichaam zo toegetakeld, dat ze niet meer in staat was om het huis te poetsen of om vele trappen te lopen.

De keuze werd gemaakt om te verhuizen, een riante flat waar we als familie zouden gaan wonen. Maar ik vond het helemaal niets. Ik snapte wel dat het simpelweg niet anders kon, het was voor haar geen mogelijkheid om het langer vol te houden in het oude huis. Maar ik had gewoon meteen het gevoel dat de flat haar eindstation zou zijn. Ik voelde meteen dat dit haar laatste rustplaats zou zijn en tegen dat gevoel kwam ik in opstand. Ik wilde niet accepteren dat het niet anders kon en ik wilde helemaal niet mee. Er was echt niets mis met de flat, alleen het feit dat ik wist dat ze hier zou gaan sterven. En die associatie werd me gewoon te veel. Ik wilde me niet thuis voelen op de plek waar zij zou gaan sterven.

Het was trouwens nog niet bekend hoe lang ze nog te leven had hoor, maar voor mij was het gewoon een teken aan de wand en dat wilde ik helemaal niet. Ik werd keihard geconfronteerd met het einde dat zeker zou komen en dat maakte het allemaal zo ontzettend moeilijk. Nu, jaren later,  vind ik het juist fijn dat ik hier nog steeds mag wonen. Alles in dit huis doet me denken aan haar en zo houd ik de herinnering levend. Het is misschien wel mijn grootste angst om haar langzaam te vergeten en dus klamp ik aan alles vast om haar bij me te houden.

En nu staat ze dus hier op de kast. Klein, zwart en van plastic. Eigenlijk is het te afzichtelijk voor woorden, maar van de andere kant maakt het me ook geen zak uit hoe het er uit ziet. Ik weet wat er in zit en dat is veel belangrijker.

Van de keukentafel naar de kast was al een hele opgave. Het weegt zwaarder dan je vooraf zou denken. Dat maakte het nietlatenvallen-stuk nog een beetje belangrijker. Midden op de kast, voor iedereen zichtbaar. De eerste dag heb ik er constant naar moeten kijken, op de bank, mijn blik gericht op de urn. En wat je daar dan bij denkt? Niets eigenlijk. Het is geen verdriet en geen vreugde, eerder berusting. Steeds als ik er langs loop, dan denk ik weer even terug aan hoe ze was.

En dat is misschien wel het fijnste aan heel deze situatie. Het maakt niet uit hoe dat ding er uit ziet, het doet me herinneren. Ze is nu weer terug op haar laatste rustplaats en dat doet me goed. Eerst wilde ik hier niet wonen, nu is het fijn dat ik hier woon. Eerst wilde ik niets van die as weten, nu vind ik het fijn dat ze weer bij me is. Het is een jaar van constante tegenstrijdigheden en dit valt ook weer precies in die categorie. Het is een moeilijk jaar, maar dit maakt het wel een stukje draaglijker.

Letters. Woorden. Zinnen. Alinea's. Verhalen. Schrijven is echt mijn ding. Ik vertel in mijn verhalen wat ik dagelijks meemaak of wat er in mijn hoofd speelt. Soms leuk, soms ontroerend, altijd persoonlijk. Ik neem je graag mee in mijn leven...

Eén reactie

Reageren?

%d bloggers liken dit: